Archief

25 jaar Van der Leeuw-lezing

2007

2006

2005

2004

2003

2002

 

 

 

 
 

Stichting Van der Leeuw-Lezing

Postbus 72
9700 AB Groningen

 

 

 

Vijfentwintig jaar Van der Leeuw-lezing

Begin 1982 werd ik door het bestuur van de toenmalige Stichting Schip Martinikerk gevraagd of ik wilde meedenken over het organiseren van literaire activiteiten in de kerk. Het was op zoek naar nieuwe gebruikers voor het gebouw – naast erediensten, orgelconcerten en hafabra, harmonie, fanfare en brassmuziek. Mij viel meteen het voorbeeld van de Huizinga-lezing in Leiden in, en dat idee werkte ik uit in een notitie om met mogelijke subsidiegevers te bespreken. Suggesties als een op de regio georiënteerde Martini-lezing, voor het eerst te houden door prof. Jan Pen, legde ik eigenwijs naast me neer. Ik schreef op dat we voor de naam van de lezing op zoek moesten naar “een Groninger filosoof of historicus met internationaal aanzien” (Huizinga kwam uit Groningen!) en dat auteurs en geleerden als Saul Bellow, de Nobelprijswinnaar, Leszek Kolakowski, de filosoof, en Barbara W. Tuchman, de historica, interessante sprekers zouden kunnen zijn. Ook noteerde ik dat het niet verstandig was de boel te overhaasten: de eerste lezing zou, “gezien de korte voorbereidingstijd”, pas in september of oktober 1982 kunnen worden gehouden. Het werd een jaar later: vrijdag 23 september 1983. En dat is een van de dingen die de Van der Leeuw-lezing me over het organiseren van evenementen heeft geleerd: een idee moet rijpen, het kost tijd een stevig fundament onder een organisatie te leggen – een waarheid die helaas wel eens wordt vergeten, en dat gaat ten koste van kwaliteit of continuïteit.
De opbrengst van dat extra jaar was dat de provincie Groningen, de gemeente Groningen, de Rijksuniversiteit Groningen én de Volkskrant geïnteresseerd raakten. Het lukte om de hoofdredactie van de Volkskrant – Harry Lockefeer en Jan van der Pluijm – tot deelname te verleiden, zodat landelijke publiciteit verzekerd was. Niemand minder dan Henk Vonhoff, toen commissaris van de Koningin, besliste dat Groningen anders dan Leiden ieder jaar twee sprekers zou krijgen, een buitenlandse referent en een Nederlandse co-referent. Omdat hijzelf geschiedenis had gestudeerd, zag hij wel iets in het uitnodigen van Barbara W. Tuchman. All the rest is history. Tuchman was vereerd: ze wilde graag iets komen vertellen over het nieuwe boek dat ze onder handen had, The March of Folly. En ook Vonhoff was verguld: hij maakte het mogelijk dat Tuchman in Den Haag op de Derde Dinsdag de Gouden Koets kon zien – ze wìlde niets liever, een sprookje! – en vond het goed dat ze bij hem thuis logeerde, als een koninklijke gast. Geen wonder dat Tuchman, die in 1989 overleed, een jaar voor haar dood via haar uitgever liet informeren of ze die lezing in Groningen nòg eens mocht houden; ze had er fantastische herinneringen aan…

Een goede start, mede dankzij een voortreffelijke bijdrage van Bart Tromp, de eerste co-referent, maakt nog geen zomer: het bleek moeilijk om een spreker voor het tweede jaar te vinden. Dat werd uiteindelijk de al genoemde Kolakowski, die zwaaiend met een wandelstok van glasfiber almaar zo ver van de microfoon wegliep dat van zijn hoogst erudiete betoog over de illusie van de ontmythologisering zelfs op de voorste rijen niets te begrijpen viel, en daar konden we niet eens de akoestiek de schuld van geven… Op zulke momenten lijdt een organisator – dat wil zeggen: ik leed. Gelukkig maakten Peter Gay en Hella S. Haasse in het derde jaar de schade goed, en nadien is het met de Van der Leeuw-lezing eigenlijk alleen maar crescendo gegaan. De formule is zelfs bestand gebleken tegen de akoestische problemen. Dat is mede te danken aan de mogelijkheid die de Volkskrant biedt om alles nog eens na te lezen, in de krant en in het boekje. In de loop der jaren is dat boekje een hebbeding geworden. Van Antjie Krog en Lieve Joris moest zelfs een herdruk worden gemaakt. Wat bij het verlaten van de kerk vrijgevig door de krant wordt weggeschonken, vind ik tegenwoordig in antiquariaten voor drie of vijf of maar liefst tien euro…
De sprekerslijst is indrukwekkend, dat lijdt geen twijfel, en toch hebben al die grote namen weinig meer met elkaar gemeen dan dat ze in Groningen zijn geweest om de Van der Leeuw-lezing te houden. Van meet af aan is omgezien naar literatoren, filosofen, historici, politici en sociale wetenschappers, nooit naar sprekers uit de bèta-hoek. Op den duur viel de wens om ook een natuurwetenschapper of een logicus het woord te geven een beetje weg, omdat de Huizinga-lezing en de Van der Leeuw-lezing tal van gespecialiseerde navolgers kregen, ook in de bèta-faculteiten. In de praktijk doet het stichtingsbestuur – dat meer een organiserend comité is dan een bestuur – een voorstel aan de Commissie van Advies en Aanbeveling. Die Commissie bepaalt de volgorde waarin kandidaat-sprekers worden uitgenodigd. Soms is het meteen raak, maar natuurlijk hebben we ook wel eens bot gevangen. Ik herinner me een lange correspondentie met Oriana Fallaci, een vriendelijk telefoongesprek met Clifford Geertz, aardige reacties van Pat Barker, Maryse Condé en J.M. Coetzee – maar tevergeefs. In mijn dromen kwamen Max Frisch, Sebastian Haffner en W.G. Sebald voor. Maar toen die eindelijk bovenaan de lijst stonden, waren hun levensdagen geteld…
De uitnodiging om een Van der Leeuw-lezing te houden gaat zo’n driekwart jaar van tevoren de deur uit, rechtstreeks aan de beoogde gast, maar ook wel via een uitgever of een agent – vroeger op prachtig briefpapier, nu per e-mail. Vroeger hield je dan geduldig je adem in, soms wel twee weken lang, maar de laatste jaren is niet zelden per omgaande geantwoord. Amitav Ghosh, bijvoorbeeld, belde me binnen een uur nadat hij het mailtje had gekregen. Driekwart jaar lijkt misschien lang, en staat een beetje op gespannen voet met de wens aan te sluiten bij de actualiteit, maar die tijd is hard nodig om ervoor te zorgen dat de gast met een oorspronkelijk betoog komt, niet met een elders gehouden lezing of een al gepubliceerde tekst. Bovendien moet de co-referent ook twee, drie maanden hebben om zich voor te bereiden. Het lukt niet altijd. Tot mijn stomme verbazing haalde Hans Magnus Enzensberger in 1992 toen hij achter de microfoon stond een rood boekje uit zijn binnenzak tevoorschijn: zijn inmiddels in Duitsland gepubliceerde bundel Die grosse Wanderung. Ben Okri liet in 1997 bij aankomst in Nederland weten dat hij een andere lezing zou houden dan hij had aangekondigd, het aan mij overlatend hoe dat uit te leggen aan Lolle Nauta en Anil Ramdas, die zich terdege hadden voorbereid aan de hand van de toegezonden tekst. Consequent zijn we ook niet altijd geweest: we hebben er weloverwogen mee ingestemd dat Ian McEwan in 2002 over Literature, Science and Human Nature sprak, een lezing die hij eerder hield voor een humanitaire organisatie in Londen. Maar wat een lezing was dat! En wat ontvouwde zich een debat in McEwan’s woord en Douwe Draaisma’s weerwoord.

Het valt niet te zeggen wat de beste – of mooiste – van vijfentwintig lezingen is geweest. Simon Schama liet in de Martinikerk dia’s van schilderijen zien, hetgeen technisch gesproken bepaald geen sinecure was. Eduardo Galeano sprak over de tegenstellingen tussen Noord en Zuid alsof hij belangstellend naar de gezondheid van een patiënt informeerde: How is the dollar today? Tom Lanoye opperde in 2003 de gedachte de lezing te vervangen door een videovoorstelling, waarop Marjolijn Februari hem van repliek diende met haar voorspelling dat er tal van sprekers zouden volgen. Lanoye zelf was een van de eersten, in 2006, aan de zijde van Antjie Krog. Die hield samen met Lieve Joris de ontroerendste Van der Leeuw-lezing.
Hetgeen onderstreept dat de lezing ook een performance is. Antjie Krog beheerst dat métier als weinig anderen: ze is een groot voordrachtskunstenaar. Iris Murdoch, Annie Proulx en Ismail Kadare brachten lezingen om te lezen, maar niet om in een volle kerk voor te lezen. Kadare bestond het zelfs zijn in het Frans aangeleverde tekst gedeeltelijk in het Albanees uit te spreken… Isabel Allende bracht haar betoog, dat vooral haar eigen levensverhaal was, vol empathie – en kon alleen al op goodwill rekenen omdat ze ruim een halfjaar na de aanslagen van 11 september 2001 alsnog naar Groningen gekomen was…
Toch zijn de co-referenten vaak de betere performers gebleken, ook omdat zij het voordeel van de taal hebben. Maar dat niet alleen. André Brink, in 1994, en Jonathan I. Israel, in 1998, hielden allebei een doorwrocht en belangwekkend betoog, maar terwijl ze spraken zag je ze nadenken over de vraag of ze hun overwegingen ook anders hadden kunnen verwoorden. Hun opponenten, Adriaan van Dis en Nelleke Noordervliet, hadden die aarzeling niet en brachten hun teksten met een benijdenswaardige trefzekerheid over het voetlicht. Joop Doorman legde uit waar Iris Murdoch het over had gehad. Stephan Sanders maakte de politiek van Daniel Cohn-Bendit persoonlijk. Lieve Joris zong. Tot een botsing tussen de referent en de co-referent kwam het zelden, daarvoor is de Van der Leeuw-lezing een te beschaafd gebeuren. Maar Rudolf van Zantwijk liet niet na Carlos Fuentes te verbeteren en Luuk van Middelaar verschilde echt van mening met Noreena Hertz.

Terwijl referent en co-referent spreken, valt de avond. Achter de hoge ramen in het koor wordt het langzaam maar zeker donker. De kerk baadt in het licht. Dadelijk zal het orgel weer klinken. Ik kan met een gerust hart afscheid nemen.

Anton Brand
www.hoekvanameland.nl

 

Naar boven