|
Vijfentwintig jaar Van der Leeuw-lezing
Begin 1982 werd ik door
het bestuur van de toenmalige Stichting Schip Martinikerk gevraagd
of ik wilde meedenken over het organiseren van literaire
activiteiten in de kerk. Het was op zoek naar nieuwe gebruikers
voor het gebouw – naast erediensten, orgelconcerten en hafabra,
harmonie, fanfare en brassmuziek. Mij viel meteen het voorbeeld
van de Huizinga-lezing in Leiden in, en dat idee werkte ik uit in
een notitie om met mogelijke subsidiegevers te bespreken.
Suggesties als een op de regio georiënteerde Martini-lezing, voor
het eerst te houden door prof. Jan Pen, legde ik eigenwijs naast
me neer. Ik schreef op dat we voor de naam van de lezing op zoek
moesten naar “een Groninger filosoof of historicus met
internationaal aanzien” (Huizinga kwam uit Groningen!) en dat
auteurs en geleerden als Saul Bellow, de Nobelprijswinnaar, Leszek
Kolakowski, de filosoof, en Barbara W. Tuchman, de historica,
interessante sprekers zouden kunnen zijn. Ook noteerde ik dat het
niet verstandig was de boel te overhaasten: de eerste lezing zou,
“gezien de korte voorbereidingstijd”, pas in september of oktober
1982 kunnen worden gehouden. Het werd een jaar later: vrijdag 23
september 1983. En dat is een van de dingen die de Van der
Leeuw-lezing me over het organiseren van evenementen heeft
geleerd: een idee moet rijpen, het kost tijd een stevig fundament
onder een organisatie te leggen – een waarheid die helaas wel eens
wordt vergeten, en dat gaat ten koste van kwaliteit of
continuïteit.
De opbrengst van dat extra jaar was dat de provincie Groningen, de
gemeente Groningen, de Rijksuniversiteit Groningen én de
Volkskrant geïnteresseerd raakten. Het lukte om de
hoofdredactie van de Volkskrant – Harry Lockefeer en Jan
van der Pluijm – tot deelname te verleiden, zodat landelijke
publiciteit verzekerd was. Niemand minder dan Henk Vonhoff, toen
commissaris van de Koningin, besliste dat Groningen anders dan
Leiden ieder jaar twee sprekers zou krijgen, een
buitenlandse referent en een Nederlandse co-referent. Omdat
hijzelf geschiedenis had gestudeerd, zag hij wel iets in het
uitnodigen van Barbara W. Tuchman. All the rest is history.
Tuchman was vereerd: ze wilde graag iets komen vertellen over het
nieuwe boek dat ze onder handen had, The March of Folly. En
ook Vonhoff was verguld: hij maakte het mogelijk dat Tuchman in
Den Haag op de Derde Dinsdag de Gouden Koets kon zien – ze wìlde
niets liever, een sprookje! – en vond het goed dat ze bij hem
thuis logeerde, als een koninklijke gast. Geen wonder dat Tuchman,
die in 1989 overleed, een jaar voor haar dood via haar uitgever
liet informeren of ze die lezing in Groningen nòg eens mocht
houden; ze had er fantastische herinneringen aan…
Een goede start, mede
dankzij een voortreffelijke bijdrage van Bart Tromp, de eerste
co-referent, maakt nog geen zomer: het bleek moeilijk om een
spreker voor het tweede jaar te vinden. Dat werd uiteindelijk de
al genoemde Kolakowski, die zwaaiend met een wandelstok van
glasfiber almaar zo ver van de microfoon wegliep dat van zijn
hoogst erudiete betoog over de illusie van de ontmythologisering
zelfs op de voorste rijen niets te begrijpen viel, en daar konden
we niet eens de akoestiek de schuld van geven… Op zulke momenten
lijdt een organisator – dat wil zeggen: ik leed. Gelukkig maakten
Peter Gay en Hella S. Haasse in het derde jaar de schade goed, en
nadien is het met de Van der Leeuw-lezing eigenlijk alleen maar
crescendo gegaan. De formule is zelfs bestand gebleken tegen de
akoestische problemen. Dat is mede te danken aan de mogelijkheid
die de Volkskrant biedt om alles nog eens na te lezen, in
de krant en in het boekje. In de loop der jaren is dat boekje een
hebbeding geworden. Van Antjie Krog en Lieve Joris moest zelfs een
herdruk worden gemaakt. Wat bij het verlaten van de kerk vrijgevig
door de krant wordt weggeschonken, vind ik tegenwoordig in
antiquariaten voor drie of vijf of maar liefst tien euro…
De sprekerslijst is indrukwekkend, dat lijdt geen twijfel, en toch
hebben al die grote namen weinig meer met elkaar gemeen dan dat ze
in Groningen zijn geweest om de Van der Leeuw-lezing te houden.
Van meet af aan is omgezien naar literatoren, filosofen,
historici, politici en sociale wetenschappers, nooit naar sprekers
uit de bèta-hoek. Op den duur viel de wens om ook een
natuurwetenschapper of een logicus het woord te geven een beetje
weg, omdat de Huizinga-lezing en de Van der Leeuw-lezing tal van
gespecialiseerde navolgers kregen, ook in de bèta-faculteiten. In
de praktijk doet het stichtingsbestuur – dat meer een organiserend
comité is dan een bestuur – een voorstel aan de Commissie van
Advies en Aanbeveling. Die Commissie bepaalt de volgorde waarin
kandidaat-sprekers worden uitgenodigd. Soms is het meteen raak,
maar natuurlijk hebben we ook wel eens bot gevangen. Ik herinner
me een lange correspondentie met Oriana Fallaci, een vriendelijk
telefoongesprek met Clifford Geertz, aardige reacties van Pat
Barker, Maryse Condé en J.M. Coetzee – maar tevergeefs. In mijn
dromen kwamen Max Frisch, Sebastian Haffner en W.G. Sebald voor.
Maar toen die eindelijk bovenaan de lijst stonden, waren hun
levensdagen geteld…
De uitnodiging om een Van der Leeuw-lezing te houden gaat zo’n
driekwart jaar van tevoren de deur uit, rechtstreeks aan de
beoogde gast, maar ook wel via een uitgever of een agent – vroeger
op prachtig briefpapier, nu per e-mail. Vroeger hield je dan
geduldig je adem in, soms wel twee weken lang, maar de laatste
jaren is niet zelden per omgaande geantwoord. Amitav Ghosh,
bijvoorbeeld, belde me binnen een uur nadat hij het mailtje had
gekregen. Driekwart jaar lijkt misschien lang, en staat een beetje
op gespannen voet met de wens aan te sluiten bij de actualiteit,
maar die tijd is hard nodig om ervoor te zorgen dat de gast met
een oorspronkelijk betoog komt, niet met een elders gehouden
lezing of een al gepubliceerde tekst. Bovendien moet de
co-referent ook twee, drie maanden hebben om zich voor te
bereiden. Het lukt niet altijd. Tot mijn stomme verbazing haalde
Hans Magnus Enzensberger in 1992 toen hij achter de microfoon
stond een rood boekje uit zijn binnenzak tevoorschijn: zijn
inmiddels in Duitsland gepubliceerde bundel Die grosse
Wanderung. Ben Okri liet in 1997 bij aankomst in Nederland
weten dat hij een andere lezing zou houden dan hij had
aangekondigd, het aan mij overlatend hoe dat uit te leggen aan
Lolle Nauta en Anil Ramdas, die zich terdege hadden voorbereid aan
de hand van de toegezonden tekst. Consequent zijn we ook niet
altijd geweest: we hebben er weloverwogen mee ingestemd dat Ian
McEwan in 2002 over Literature, Science and Human Nature
sprak, een lezing die hij eerder hield voor een humanitaire
organisatie in Londen. Maar wat een lezing was dat! En wat
ontvouwde zich een debat in McEwan’s woord en Douwe Draaisma’s
weerwoord.
Het valt niet te zeggen
wat de beste – of mooiste – van vijfentwintig lezingen is geweest.
Simon Schama liet in de Martinikerk dia’s van schilderijen zien,
hetgeen technisch gesproken bepaald geen sinecure was. Eduardo
Galeano sprak over de tegenstellingen tussen Noord en Zuid alsof
hij belangstellend naar de gezondheid van een patiënt informeerde:
How is the dollar today? Tom Lanoye opperde in 2003 de
gedachte de lezing te vervangen door een videovoorstelling, waarop
Marjolijn Februari hem van repliek diende met haar voorspelling
dat er tal van sprekers zouden volgen. Lanoye zelf was een van de
eersten, in 2006, aan de zijde van Antjie Krog. Die hield samen
met Lieve Joris de ontroerendste Van der Leeuw-lezing.
Hetgeen onderstreept dat de lezing ook een performance is. Antjie
Krog beheerst dat métier als weinig anderen: ze is een groot
voordrachtskunstenaar. Iris Murdoch, Annie Proulx en Ismail Kadare
brachten lezingen om te lezen, maar niet om in een volle kerk voor
te lezen. Kadare bestond het zelfs zijn in het Frans aangeleverde
tekst gedeeltelijk in het Albanees uit te spreken… Isabel Allende
bracht haar betoog, dat vooral haar eigen levensverhaal was, vol
empathie – en kon alleen al op goodwill rekenen omdat ze ruim een
halfjaar na de aanslagen van 11 september 2001 alsnog naar
Groningen gekomen was…
Toch zijn de co-referenten vaak de betere performers gebleken, ook
omdat zij het voordeel van de taal hebben. Maar dat niet alleen.
André Brink, in 1994, en Jonathan I. Israel, in 1998, hielden
allebei een doorwrocht en belangwekkend betoog, maar terwijl ze
spraken zag je ze nadenken over de vraag of ze hun overwegingen
ook anders hadden kunnen verwoorden. Hun opponenten,
Adriaan van Dis en Nelleke Noordervliet, hadden die aarzeling niet
en brachten hun teksten met een benijdenswaardige trefzekerheid
over het voetlicht. Joop Doorman legde uit waar Iris Murdoch het
over had gehad. Stephan Sanders maakte de politiek van Daniel
Cohn-Bendit persoonlijk. Lieve Joris zong. Tot een botsing tussen
de referent en de co-referent kwam het zelden, daarvoor is de Van
der Leeuw-lezing een te beschaafd gebeuren. Maar Rudolf van
Zantwijk liet niet na Carlos Fuentes te verbeteren en Luuk van
Middelaar verschilde echt van mening met Noreena Hertz.
Terwijl referent en
co-referent spreken, valt de avond. Achter de hoge ramen in het
koor wordt het langzaam maar zeker donker. De kerk baadt in het
licht. Dadelijk zal het orgel weer klinken. Ik kan met een gerust
hart afscheid nemen.
Anton Brand
www.hoekvanameland.nl
Naar boven |