STICHTING

   
 

VAN DER LEEUW-LEZING

 

Home Lezing 2004 Reageren De Stichting Biografie vd Leeuw Archief

Omhoog

 

DE VERTELLER IS EEN ANDER 
door Barber van de Pol

 

Dank, Isabel Allende, voor de persoonlijke geschiedenis zoals u die hier heeft verteld. Dank u ook, dit is privébelang, voor de tip hoe een vrouw een man vangt. Dus je gaat tegenover hem zitten, je vraagt naar het verhaal van zijn leven en hij vindt je slim en sexy? Het klinkt mooi maar mij komt het eerlijk gezegd voor als een gruwelscenario.

De levensverhalen van de meeste mannen zijn zo vervelend, dat ik me wel twee keer bedenk voor ik me vrijwillig in de rol van luisteraar wring. In plaats van `mannen' mag u rustig `vrouwen' lezen. Mannelijke vertellers zijn niet vervelender dan vrouwelijke.

Want daar gaat het natuurlijk om. Geen enkel verhaal is van zichzelf vervelend, het is de verteller die verveelt. Vooral als je hem loslaat op zijn eigen leven. Dan zuigt hij je een moeras in waar je je als een Baron von Münchhausen aan je haren weer uit omhoog moet trekken. Híj zal je niet helpen. Hij is zelf kopje onder.

Zo is het ook met vertellers op papier. Sommigen lijken er wel op uit de werkelijkheid te verslaan, een vruchteloze, lukrake onderneming. Toen Mallarmé zei dat je leeft om uit te monden in een boek, had hij geen mer à boire voor ogen; hij was een dichter. Maar omvang heeft er niet per se mee te maken. Onze Voskuil, die veel bladzijden nodig heeft, is beticht van pover realisme maar men ziet daarbij over het hoofd hoe knap hij Musils man zonder eigenschappen gestalte geeft in een werkelijkheid die alleen bij hem bestaat.

U had, stel ik mij voor, geluk, u had zeldzaam goede vertellers aan uw tafels. Er is nog een mogelijkheid: uw tip is gericht tot dames; ik ben geen dame. Het ontbreekt me om te beginnen aan het geduld Gods water over Gods akker te laten lopen. Het dagelijks leven trekt al genoeg zware wissels. U kent het: iemand meent precies uit te moeten duiden wat anderen deden, zeiden, bedoelden op dat feestje waar jij geen zin in had, juist vanwege dat geklets. Ook erg: het verslag van een televisieprogramma dat je niet voor niets onbekeken had gelaten.

Op zulke momenten voel ik me een rat in de val.

 

Uw betoog bevat een geruststellende vermaning. `Relax en luister. Je hoeft niets te doen.' U nuanceert die passiviteit althans wat lezen aangaat door te zeggen dat in de beste gevallen uit de samenwerking tussen schrijver en lezer een `wezenlijke waarheid' voortkomt. Dat klinkt heel wat ambitieuzer. Ik zie zo'n samenwerking als een sine qua non. Er bestaan massa's recreatieve verhalen en massa's recreatieve lezers maar wie niet goed is in recreatie, zal niet recreatief lezen. Hij doet iets met het gelezene. Hij interpreteert, herschept; hij is medeplichtig. Ook als iets hem niet boeit zal hij zich op z'n minst afvragen waarom dat zo is. Omdat zulk lezen hoe aangenaam ook inspannend is, wordt een creatieve lezer vanzelf selectief.

De omschrijving van de lezer als medeplichtige komt van Julio Cortázar, een verteller die nóóit verveelt. Cortázar neemt je niet bij de hand, hij laat je zelf lopen.

Ik zou het onderwerp van deze bijeenkomst willen problematiseren. Niet om moeilijk te doen, dit is in feite gesneden koek, het is vaker, anders, door anderen gezegd. Ik zou willen stellen dat een verhaal pas geslaagd is als het is losgekomen van de verteller, als ook die het ondergaat als dat van een ander.

In de eindfase van het schrijven gedraag ik me als een vertaler, ik behandel mijn boek of verhaal als iets zelfstandigs waarvan de kracht zo goed mogelijk moet worden overgebracht. Alsof het al niet meer van mezelf is. Dat gedrag past uiteraard bij iemand die meer heeft vertaald dan geschreven maar het lijkt me in het algemeen aan te raden.

De lezer hoeft van het schrijfproces, tenzij opzettelijk in het verhaal verwerkt, niets te weten. Het resultaat moet immers autonoom zijn.

Overigens betwijfel ik of het verband tussen iemands prille jeugd en zijn schrijverschap zo dwingend is als u het voorstelt. Dat lijkt me een beetje fatalistisch. Een leven duurt een leven lang. Ik kan niet vergeten dat het grote lezen voor mij pas in de puberteit begon. Dat latere lezen is minstens zo bepalend geweest als de verhalen van vroeger, thuis.

`Niet naar wie je heet, maar van wie je eet,' staat in de Quichot. Dat slaat op Sancho Panza, de knecht die zich zo gaat kleuren naar zijn baas, dat hij zijn idealen overneemt. Als Don Quichot op zijn sterfbed van zijn waanideeën terugkomt, smeekt Sancho hem er dan andere op na te gaan houden. Hij kan niet meer zonder fictie.

Deze baas en knecht zijn de eerste complexe romanpersonages uit de geschiedenis, daarom is het boek waarin ze voorkomen de eerste echte roman, die meteen de eerste anti-roman was. De moderne roman bestond niet toen Cervantes aan de Quichot begon. Toen hij ermee klaar was wel, een hoopgevende gedachte voor iedere schrijver. Cervantes bleef veranderen tot ver na zijn kinderjaren. Cervantes was een oude man voor hij Don Quichot kon schrijven.

Dat in mijn verhaal veel Spaanstaligs ter sprake komt, is niet alleen een gevolg van uw aanwezigheid, het sluit aan bij mijn eigen achtergrond. Drie, vier Spaanstalige vertellers hebben mijn vertaalleven bepaald en mij royaal stof gegeven voor beschouwingen. Daarnaast kom ik vaak uit bij Rulfo, die ik niet heb vertaald, de schepper van het weggelatene dat er toch is.

Ik ben wel eens bang dat ze me te zichtbaar hebben gevormd. Ik was opgelucht toen Toon Tellegen bij de presentatie van mijn laatste roman Kriblijn een link legde met Tsjechov. Dat is de andere kant uit. Geen enkele schrijver is graag makkelijk thuis te brengen.

Mijn eerste roman voor volwassenen - ik heb ook voor kinderen geschreven - deed de kritiek denken aan bepaalde Franse schrijvers als Ponge, niet zozeer meeslepende vertellers, alswel millimeterwerkers. Eén criticus noemde Er was wat met Meneer Maker & Mevrouw Maker een Jip & Janneke, ons bekendste kinderboek, voor volwassenen, een te groot compliment. In het begin mist men bij een schrijver houvast; men vergelijkt.

Langdurige omgang met mijn favoriete Spaanstaligen heeft me geleerd bepaalde allergieën te gaan koesteren, die ik bij hen herkende. Ze zijn wars van makkelijke effecten, de kitsch van mooischrijverij en Schöngeisterei. `Houd het kort,' zegt Borges. `Let op je geweten,' zegt Cortázar. `Niet verzinnen, aandikken,' zegt Márquez. `Maak er een onconventionele pot van,' zegt Cervantes, `val jezelf in de rede af en toe. Een verhaal kabbelt al gauw.' Ik hoor hem geeuwen.

Rulfo zegt niets. Hij is, zijn reputatie getrouw, stil. Hij zit in het rijk van de schimmen, diep verscholen in zijn werk.

Spreken en schrijven zijn verschillende dingen maar een zekere spanning en dramatische kracht zijn bij beide van belang. Een geschreven tekst eist verdichting maar liever niet zoveel dat je stikt. Borges, die filosofische mini-thrillers schreef, gaf niets om expliciete diepgang. Die ontkende hij bij zichzelf. Hij streefde naar transparantie. Hij citeerde veel en trok aanhoudend parallellen tussen culturen en tijden om het al te populaire begrip originaliteit aan de kaak te stellen. Er is zelden iets nieuws onder de zon.

Grote voorbeelden kunnen intimideren maar niemand hoeft zich de gewetensvraag te stellen of hij zijn werk mag toevoegen aan het vele dat er al is. Natuurlijk mag dat. Het is wat de gek ervoor geeft, om te beginnen de uitgever, en, als het boek er eenmaal is, de kritiek en de lezers.

Ik heb afgelopen jaar gewerkt aan een boek over Erasmus, die leefde van 1466 tot 1536. Hij was dé bink van het culturele veld van toen. Hij woonde waar het hem zinde en wenste zich niet te binden. Hij sloeg professoraten, hoffuncties, een kardinaalshoed af, en dat terwijl hij chronisch om geld verlegen zat.

Een onafhankelijke geest, Erasmus. Hij is de belichaming van iemand die niet wil samenvallen met zijn tijd, zijn afkomst, zijn geografische beperkingen, zelfs niet met iets als identiteit. Hij zocht naar een non-positie, zoals J.M. Coetzee het heeft genoemd in een van zijn essays in Giving Offense. Zijn enige commitment betrof God, of zijn al dan niet artistieke geweten, zoals ik het als atheïst liever zie.

U zegt het eenvoudiger: schrijvers zijn altijd vreemden in deze wereld.

Erasmus' levensmotto luidde: `Homines non nascuntur, sed finguntur'; `Mensen worden niet geboren maar gemaakt.' In `finguntur' klinkt `fictie' door. De etymologie zet weer eens aan tot denken. `Fingere' is maken. De schrijver is een maker.

Erasmus bleef in wording, iets wat je als lezer merkt: het gevoel alsof iets onder je ogen in wording is. Hij profiteerde van de uitvinding van de boekdrukkunst, zeventwintig jaar voor zijn geboorte. Die maakte het hem mogelijk zijn gedachtengoed foutloos, in grote oplage te verspreiden.

Zijn revolutionaire vertaling van het Nieuwe Testament is door andere ingehaald; verlichte protesten tegen de verstarde kerk en de barbaarse opvoed- en onderwijspraktijken klonken al langer; in Italië had het humanisme al een gezicht voor hij het Noordeuropese humanisme er één gaf. Dat hij voortleeft komt door zijn sublieme, geestige stijl, in Lof der Zotheid en in zijn essayistische brieven aan de groten der aarde.

Toen ze hoorde dat ik me met de humanist bezighield, zei een deskundige spontaan: `Je maakt er toch wel fictie van.' Jazeker. Een essayist probeert iets; hij komt zoekend en verbindend tot een persoonlijke proeve. Hij bedrijft géén wetenschap.

U vertelt hoe u als journalist werd berispt omdat u niet objectief genoeg was. U overdreef, was subjectief, verzon wat er niet was. `Why don't you switch to litterature, where all these defects are virtues?', en u deed het, tot genoegen van miljoenen lezers.

Ik kan me zo'n raad voorstellen. De genoemde `defects' horen volgens afspraak inderdaad niet bij verslaggeving. Neemt niet weg dat ik geïntrigeerd ben door het koppige pleidooi van Márquez, die de journalistiek als een literair genre ziet, een genre dat weliswaar op feiten drijft, maar evengoed aan literaire eisen voldoet, inclusief de inzet van de verbeelding en een herkenbare eigen stem.

Nu genres, althans in het Westen, ineenschuiven, nu bij steeds meer schrijvers poëzie, vertelling, drama, beschouwing én verslaggeving vervloeien en iedere zichzelf respecterende journalist essayist wil zijn, wordt Márquez' pleidooi steeds interessanter.

Márquez beweert dat het bovennatuurlijke bij hem te herleiden is op waargebeurde voorvallen; uitleg bijgeleverd. Zijn pretentie is, mooi gezegd, meer werkelijkheid bloot te leggen dan die waarmee men zich gewoonlijk tevredenstelt. Je kunt je afvragen wat zoiets betekent en of die pretentie ook meer waarheid belooft. `Werkelijkheid' en `waarheid' zijn gehate maar essentiële abstracta die continu in de filosofie, de kunst en de wetenschap ter discussie staan. Geen wonder dat een schrijver zich er vroeg of laat over buigt.

Zo ben ik terug bij de reus van de Spaanstalige literatuur, vier eeuwen oud, springlevend: Cervantes. Hij maakte van het begrip waarheid of `waargebeurd' de running gag van de Quichot. Dit wordt reclame, ik heb dat boek vertaald, maar ik heb het niet voor niets gedaan, zeg ik er gauw bij. Je geeft niet vijf jaar van je leven aan iets dat je niet ziet zitten.

Latijns-Amerikaanse literatuur bestond toen nog niet, tenzij je de kronieken van de kolonisatie of de inventarisaties van de inheemse flora, fauna en gebruiken daartoe rekent. Cervantes, die twee keer heeft geprobeerd er te komen, duidt uw continent in de Quichot aan als `de nieuw ontdekte wereld.'

Hijzelf gebruikt het woord `historia' voor zijn beroemde boek, `geschiedenis', `kroniek', `historie'. `Historia' had al wel sinds de Middeleeuwen de bijklank `kroniek vermengd met fictie' maar het blijft hilarisch: de historie van een verzonnen lezer die begin zeventiende eeuw hoofse ridders van weleer, let wel: boekenfiguren, gaat nadoen, om de wereld te verbeteren.

`Historia' zou niet het Spaanse woord voor `roman' worden; dat werd `novela', in de Quichot alleen gebruikt voor de ingelaste lange verhalen die vooral deel 1 ontwrichten, al zijn het de ordelijkste fagmenten van het boek. Die verhalen worden voorgelezen, ze moeten voor rode konen zorgen. De taal erin is beproefd: ogen glanzen van opwinding, er wordt wit weggetrokken bij angst.

In tegenstelling tot wat elders in de Quichot gebeurt, wordt hier niet met het cliché gespééld. Het gaat om gevonden verhalen, beweert de schrijver, zijn naam is Haas. Als niet Don Quichot zich er als luisteraar op zijn ontregelende wijze tegenaan bemoeit, steken ze braaf af bij de rest. Ze hebben een gezochte maar hechte intrige met veel lief en nog meer leed en meestal een inktzwart einde. Het lijken wel libretto's voor romantische opera's.

Over die `novelas' wordt in de Quichot niet schamper gedaan. Laat ik het ook niet doen. Eén lijkt sprekend op het latere Adolphe van Benjamin Constant, dat nota bene behoort tot de Franse canon.

De Quichot wordt gebracht als een avonturenroman maar al zijn de avonturen niet gespeend van spanning, we krijgen geen kans ons er door te laten meeslepen. Ze worden consequent onderbroken voor commentaar, romantechnische ongelukjes, komische terzijdes. De taal prikt eerder dan ze verleidt en van bevestiging van verwachtingen is geen sprake. De Quichot is ook niet in de eerste plaats een avonturenroman, maar een roman over het avontuur dat schrijven is. In mijn essaybundel Cervantes & co heb ik geprobeerd dat aan te tonen.

Met zijn hilarische gehamer op het waargebeurde karakter in een onmiskenbaar fictief om niet te zeggen onmogelijk verband, onderstreept Cervantes de nonsens van stelligheid. Hij doet dat ook via de hilarische dialogen tussen Don Quichot en Sancho Panza.

Borges verfoeide de gemiddelde roman met z'n sluitende logica en z'n verstikkende beeld van de nauwe betrekking tussen mens en omgeving, mens en omstandigheden, mens en mensheid. Geen wonder dat hij zijn bewondering beleed voor de springerige, fragmentarische Quichot en het boek bij wijze van hommage door één van zijn personages liet overschrijven.

In de Van der Leeuw-lezing die Carlos Fuentes hield, noemde de Mexicaan `weifelen' het begin en de grondslag van de roman. Als wij niet meer weten wie wij zijn, waar we vandaan komen en wat onze plaats is in de wereld, kan het heldendicht niet langer bestaan en verandert in roman. Hij noemt de Quichot de grootste Spaanse bijdrage aan dit `drama van de moderniteit'.

Een heel beroemd verhaal uit ons beider cultuur gaat als volgt: u kent het: `Er was eens, lang geleden, een man die tot taak had de wereld te redden. Hij zei dat hij de zoon van God was. De onzichtbare grootheid God had de wereld geschapen. Er was veel in die wereld dat niet deugde, God was ontevreden. Hij zette een Zoon op de aarde die met zijn goede voorbeeld de mensen tot inkeer moest brengen. Ten einde raad besloot God als daad van liefde zijn Zoon te laten kruisigen en met dat offer de mensheid te reinigen van zonden. Aldus geschiedde, want hij was God.'

Zo luidt dit verhaal dat een flinke dosis morele chantage bevat. Het is talloze malen naverteld of vertaald. Volgens velen berust het op een legende, volgens sommigen is het een bij uitstek perverse vertelling, door die kruisiging die, zoals Paulus zei, voor ongelovigen de zotheid ten top is.

Het hoeft op zichzelf niet te verbazen dat zo'n fraai maar bizar verhaal tot op heden door velen voor waar wordt gehouden. Don Quichot zei dat het geen kunst is iets te aanbidden dat je kent. Het ware geloof heeft geen bewijzen nodig. Hij vond het een prae zijn geliefde Dulcinea nooit te hebben gezien en zelfs haar bestaan te betwijfelen. Zijn liefde was blind, was geloof.

Het verhaal over Christus' wederwaardigheden op aarde is een eigen leven gaan leiden, het beste lot dat een verhaal kan treffen, maar het is niet zonder gevaar. In Het Evangelie volgens Marcus laat Borges iemand, die anderen doet denken aan de Messias, als uiting van eerbied aan het kruis nagelen.

Laat ik vertellen hoe het bij mij begon en uw premisse toetsen dat het zus en zo gaat met zus en zo'n jeugd.

Dit is een Nederlands verhaal. Het splitst zich op in twee versies, beide even waar of onwaar.

Eerste versie) Het begon niet met verhalen

In het huis waar ik opgroeide werden geen verhalen verteld. Er werd hard gewerkt en meegedeind op de golven van de na-oorlogse welvaart. Er werd niet voorgelezen.

Er werd wel gezongen. Mijn vader was een gelukkig mens die zijn leven lang verliefd bleef op zijn vrouw, mijn moeder. Hij zong met zijn ongeschoolde tenor de longen uit zijn lijf. Hij speelde ook trompet maar dat mocht hij alleen laten horen als er iemand jarig was. De eerste film die ik zag was het levensverhaal van zijn idool Richard Tauber.

Of mijn moeder verliefd was weet ik niet. Ze is minder uitbundig, ze heeft het stuur van grote schepen in haar handen gehad, dat kan iets verklaren. Ze is nu oud en stil, maar toen ik klein was, zong ze. Ze zong kinderliedjes, schoolliedjes, psalmen, een enkel radioliedje.

Niets heerlijkers dan ouders die zingen. 's Avonds in bed zongen wij kinderen met de deuren open, tot die dichtgingen omdat moeder, die onderaan de trap stond te luisteren, vond dat het te laat werd. Ik voel met deemoed na hoe het kind dat ik was op de lagere school bij het zingen haar ziel en zaligheid inzette, zeer bereid. Op de dag voor een vakantie was een heel uur voor zang uitgetrokken; ik weet niet waar ik meer naar verlangde. Het eerste wat ik deed toen mijn kinderen naar school gingen, was een schoolkoor oprichten.

Luisteren naar muziek en muziek maken beïnvloedt de manier waarop je literatuur ondergaat. Ik onderga ritme, frasering, klankkleur, herhaling, contrapunt en doorwerking, kortom: hoe het geschrevene in elkaar zit. Daar kan mijn lange ervaring als vertaler mee te maken hebben. Ik ben een ongeneeslijke close reader. Is de stijl of vorm van een verhaal afgezaagd of slap of amorf, dan gaat het niet tussen ons. Een verhaal dat niet klinkt, is alleen dát, een verhaal en daarvan is het leven al vol.

Ook mijn manier van schrijven moet erdoor zijn bepaald al weet ik niet hoe. Mijn redacteur heeft het over mijn toon; als hij die herkent, is het goed, zegt hij.

Borges had volgens hemzelf geen oren voor muziek maar hij klinkt; hij heeft een onverwisselbare eigen stijl. Hij is een dramatische minimalist, een Philip Glass.

Ja, maar ik wil mezelf niet bedriegen, het muziek- annex stijlverhaal is evengoed betrekkelijk. Ook in dit geval is stelligheid nonsens. Om te beginnen zou pure muzikaliteit mooischrijverij betekenen en daar deden we niet aan. Ik heb altijd meer gehouden van de grote ideeënschrijvers uit de Spaanse Gouden Eeuw, de conceptualisten, zoals Quevedo, dan van de briljante culteranisten, Góngora. Bij Shakespeare, uit dezelfde tijd, gaan ideeën en brille samen. Daarom is hij zo groot.

Cicero zei het en Erasmus zei het hem na: de vorm diene een inhoud. Bovendien onthou ik van sommige Nederlandse schrijvers letterlijk geen zin. Ze hebben geen herkenbare toon of stijl, toch kunnen het grote mythen- of universumbouwers zijn. Mocht u ooit de naam W.F. Hermans tegenkomen: aan hem denk ik. In zijn beste romanmomenten essayeert hij en klinkt hij wel degelijk want een essayist laat zijn tong zien.

Tweede versie) Het begon wel met verhalen

Natuurlijk werd er bij mij thuis verteld. Soms kwamen er tantes of buurvrouwen op bezoek en dan vlogen de verhalen in het rond. Ze gingen over anderen met wie iets was, meestal deugden ze niet. Het volle leven wandelde binnen. Die visites waren drukkend, ik denk ook voor mijn ouders al weet ik dat niet zeker; ze roddelen niet.

De verhalen die mijn ouders ons vertelden gingen over de oorlog. Over voedsel dat er ooit niet was en dat wij als gevolg daarvan nooit mochten laten staan; over het plezier dat je in ellendige omstandigheden kunt hebben, misschien juist dan; over moed terwijl je bang bent, en, denk ik achteraf, over verlangen.

Lezen was voor mij als kind pure magie, dat gaat nooit helemaal over. Zolang het duurde was er een wereld die je niet voor mogelijk had gehouden. Van de weinige kinderboeken in huis waren de sprookjes het belangrijkst.

Ik pikte niet alles. Ergens komen broers voor die in ganzen veranderden maar dat zag ik de mijne niet doen. Ik had de overtuigingskracht van Kafka nodig om in zo'n Verwandlung te geloven. Ook gaf ik weinig om het wonder van mensen die levend uit de buik van een wolf kwamen. Wat me aansprak was de moed van Roodkapje, die alleen in dat bos bloemen plukte terwijl je de wolf vlakbij weet. Vaak, alleen in ons bosbessenbos, voelde ik een mengeling van angst, moed en verlangen. Ik was Roodkapje en nog veel meer. Ik kon toveren als kind.

De prins op het witte paard liet op zich wachten. Mark Twain moest er aan te pas komen om hem geloofwaardig te maken. Heeft die het dan over een prins, zult u vragen. Nee, Tom Sawyer, hoofdpersoon in het gelijknamige boek, is nogal arm en gewoon maar voor mij was hij een prins. Ik had nog nooit zo'n leuke jongen ontmoet, dus verhief ik hem in de adelstand. We waren twaalf, dertien, geen kleine kinderen meer. Ik was verliefd op Tom Sawyer; ik begrijp Don Quichot wel.

In mijn werk spelen moed, angst voor verraad en zeker verlangen een rol. De dood is van z'n magie ontdaan; dat is een verandering, dat voelde ik als kind niet zo. Boekenleed kon heerlijk zijn, vroeger, griezelen een genot. Die onschuld ben ik kwijt.

Op zondag tussen de middag las grootvader voor uit de bijbel, die veel meer voorstelde dan je begreep. De volwassenen hadden het goed voor elkaar, vond ik. Tot het begon te vervelen. `Als de klok slaat blijft je gezicht zo staan,' zei mijn moeder als ik kritisch keek. Zo leerde ik dat een beetje toneelspel een zegen is voor anderen.

Net als u leefde ik als kind in een eigen wereld vol verhalen, dat is klassiek. Ook is waar dat ik op school een keer een gedicht inleverde in plaats van een verslag, door de leraar beloond met een hoog cijfer dat hoe je het ook wendt of keert niet verdiend was. Maar ik zong ook veel en meer dan wat ook tekende ik.

Het had de kunstacademie of het conservatorium kunnen worden maar het werd de universiteit. Twee- of drieslachtig als ik was, nam ik schilder- en zanglessen die veel te duur waren voor een student. Dagelijkse praktijk werden de boeken.

Als je uit een arm, niet-intellectueel nest komt, is kennis bijzonder. Ik denk dat ik de wens van mijn vader heb vervuld door te gaan studeren. Noblesse oblige. Mijn studie beviel niet maar je leert een hoop als student, je stuit op veel ideeën die aanzetten tot terugdenken en zelf denken. Zonder die studie was ik nooit essayist geworden.

Ik houd erg van de ik-vorm, gelooft u me. Een verhaal in de ik-vorm kan bij uitstek lyrisch zijn. Meestal ook heeft zo'n ik het tegen een ander, tegen de lezer, jou bijvoorbeeld, je bent uitgedaagd tot een weerwoord, misschien een lyrisch weerwoord. Zo zijn er al twee stemmen.

Meer dan van de ik-vorm houd ik van de dialoog. De lezer, een meervoudig begrip, luistert en kan partij kiezen. Niet alleen op toneel bestaan dialogen vol vuur, veelbetekenende stiltes, hilarische misverstanden; kijk naar Cervantes, of naar Erasmus, die de samenspraak tot genre verhief. Bij Márquez breekt op gezette tijden een klein, gouden stukje directe rede door, schitterend.

Soms breidt de dialoog zich uit tot een diffuus concert van stemmen dat zo en niet anders gecomponeerd moest worden. Het lijkt wel een wereld, je kunt erin bewegen; een verwarrende, intense ervaring. Ik denk aan Rulfo, die louter met stemmen werkte en niets invulde. Ik denk ook aan de grote Faulkner, die een hele generatie Latijns-Amerikanen lijkt te hebben beïnvloed, voorop Márquez en Rulfo, die dat waar mogelijk zelf hebben benadrukt.

Er wordt wel beweerd dat angst om te leven schrijvers drijft. Dat is een zuinige gedachte. Je schrijft om te blijven, noem het angst voor de dood; je schrijft om meer wereld te maken, noem het angst voor de beperkende werkelijkheid; je schrijft uit verlangen naar uitzicht of inzicht, noem het angst voor verwarring.

Borges opperde iets fierders. Een schrijver, zei hij met een kabbalesk beeld, zet het ABC in en verandert de chaos van het bestaan in een gelegenheidsorde, een superieur spel.

Je schrijft je van je af. Schrijven is een truc om ruimte te scheppen opdat je jezelf kunt lezen als een ander. Zo trek je je al schrijvend even uit het moeras omhoog.