|
Oorlog
De jaren dertig voerden
Van der Leeuw langzaam maar zeker naar het brandpunt van het
maatschappelijke spectrum. De wetenschap zou hij nooit loslaten,
maar ze werd meer en meer een onderdeel van zijn bezigheden, naast
andere activiteiten. In de jaren 1934 en 1935 was hij rector
magnificus van de Groninger universiteit. In zijn colleges deed
hij politieke uitspraken (wars van de verzuiling die het
Nederlandse bestel kenmerkte en ten gunste van de doorbraak, die
na de oorlog zijn hoop en desillusie zou blijken) en in 1936 droeg
hij bij aan de bundel Het Christendom bedreigd door rassenwaan en
jodenhaat. Een internationaal protest. Tussen de bedrijven door,
overigens, werd hij in dat zelfde jaar benoemd tot lid van de
Koninlijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. En in 1938
verzorgde hij met anderen een nieuw liedboek voor de Nederlands
Hervormde Kerk.
Ook in de oorlog nam Van
der Leeuw politiek stelling: in de zomer van 1943, kort na het
tumult om de loyaliteitsverklaring, trad hij met zijn collega's
Van der Corput en Van der Pot toe tot de illegale contactgroep van
hoogleraren, die probeerde steun te bieden aan studenten die
weigerden de verklaring te tekenen. Het streven om tot één
gedragslijn voor alle universiteiten en hogescholen te komen
mislukte; wel bleef de Groninger universiteit - toen onder leiding
van de Duits-gezinde rector De Burlet - open, al verplaatste haar
wetenschappelijke activiteit zich van het Academiegebouw naar
woonkamers en zolderverdiepingen in de stad en de provincie.
Onderwijs en onderzoek kwamen vanaf mei 1943 vrijwel stil te
liggen en het zou tot lang na de bevrijding duren eer de
tegenstellingen vervaagden tussen hen die hadden gemeend te moeten
voortgaan met hun wetenschappelijke werk en degenen die zich in
het verzet actief hadden betoond. Als minister leidde Van der
Leeuw de zuiveringen onder hoogleraren en studenten.
Op 23
juni 1945 werd de Groninger universiteit heropend: een lange stoet
hoogleraren in toga liep van de Martinikerk naar het
Academiegebouw. De oostwand van de Grote Markt was in puin
veranderd, de noordwand zwaar beschadigd. De Martinitoren, echter,
stond alweer in de steigers, ten teken dat met de wederopbouw een
begin was gemaakt.
Naar boven |