|
Wegen en grenzen
De tweede helft van de
jaren twintig en het begin van de jaren dertig – hij was toen rond
de veertig – waren een uiterst vruchtbare periode voor Van der
Leeuw. Niet alleen werkte hij aan Phänomenologie der Religion, hij
bereidde ook het boek voor dat – zij het pas veel later – zijn
naam als kunst- en cultuurtheoreticus zou vestigen: Wegen en
grenzen (1932). Met als thema de verhouding van religie en kunst
biedt het boek een caleidoscopisch beeld van de ontwikkeling van
de kunst vanaf haar primitiefste bronnen. Literatuur, dans,
muziek, toneel en theater, beeldende kunst, bouwkunst, film –
alles komt aan de orde, gelardeerd met reflecties op het aloude
probleem van vorm en inhoud en op de verhouding tussen kunstenaar
en maatschappij. Met kennelijk evenveel gemak, en in elk geval met
voelbaar enthousiasme, schrijft Van der Leeuw over de maskers in
de Italiaanse commedia dell' arte, de opvattingen van Thomas Mann
over het kunstenaarschap in Tonio Kröger, de Byzantijnse
iconografie en Wagners Ring des Nibelungen. Wegen en grenzen is
het werk van een erudiet mens en ook – zoals Fokke Sierksma, Van
der Leeuws biograaf, opmerkt – van een 'hartstochtelijk estheet'.
Dat het boek bij
verschijnen niet de waardering kreeg die het na de oorlog wél
oogstte, had misschien te maken met Van der Leeuws toen nog
geringe begrip voor de meest recente kunstuitingen. Dat zijn
vakgenoten het werk als faits divers zouden beschouwen, een
persoonlijke gril van een cultuurgevoelig collega, lag voor de
hand – maar de theoretici van kunst en cultuur dan? Zij misten
beschouwingen over Kafka, T.S. Eliot, James Joyce en Picasso, en
zagen Marcel Proust beloond met de zinsnede: '… prachtige
psychologische analyses als ze zijn, [Prousts boeken] hebben met
kunst ook niet altijd evenveel te maken'…
Wat er ook op Wegen en
grenzen valt aan te merken (en dat is ongetwijfeld veel voor wie
het in deze tijd leest), het boek toont Van der Leeuw als een
consciëntieus beoefenaar van de wetenschap, een ondogmatisch
denker en vooral een mens in ontwikkeling: zijn hele leven bleef
hij met dit werk bezig, hij schaafde aan de compositie en de
inhoud, hij herzag en verbeterde. Hechtte hij aanvankelijk weinig
waarde aan de moderne psychologische roman, later liep hij wel
warm voor de romans en de essays van Albert Camus en Jean-Paul
Sartre, zonder zelf existentialist te worden. Had hij eerst geen
belangstelling voor jonge disciplines als de sociologie en de
analytische psychologie, een gesprek met Carl Gustav Jung – bijna
aan het eind van zijn leven – gaf hem aanleiding zich er toch in
te verdiepen. Zelfs reisde hij naar het Zwitserse Ascona om er te
spreken op een Eranos Tagung.
Naar
boven |